De geschiedenis van bier in Amsterdam

Amsterdam het centrum van de bierhandel

Amsterdam begon als een klein visserdorpje, maar groeide dankzij de handel in haring en bier uit tot een handelscentrum van wereldformaat. Amsterdam had niet zoveel brouwerijen, maar de stad was lange tijd het centrum van de bierhandel.

Dat heeft de stad voornamelijk te danken aan de grafen Floris V en Willem II. In 1275 verleent graaf Floris V de bewoners namelijk het privilege van vrije vaart over de Hollandse wateren. Vooral bier en haring blijken gewilde handelsgoederen. Daarnaast vaardigde graaf Willem II een biertol uit in Amsterdam voor buitenlands bier. Schepen met buitenlands bier met bestemming Holland moesten verplicht de haven aandoen en zodoende werd Amsterdam het centrum van de bierimport. Amsterdam werd een distributiepunt voor Hamburgs bier en verwierf een monopolie positie. Het brouwen van bier kwam in Amsterdam heel moeizaam op gang. Dat kwam door de bierimport uit Hamburg e.o. die het mes aan twee kanten liet snijden: men verdiende aan aanvoer en doorvoer en het bier was voorlopig van betere kwaliteit.

 

Volksdrank nummer 1

Bier was in die tijd volksdrank bij uitstek, die in verschillende variëteiten de hele dag door werd geconsumeerd. Het lichte of scharrebier met een alcoholpercentage van enkele procenten was de drank voor de gewone man. Dit dunne bier werd ook door oudere kinderen gedronken – de jongsten kregen meestal melk of karnemelk – en stond op het menu in wees- en ziekenhuizen. Ook arbeiders op hun werk en zeelieden op de vloot kregen het voorgezet. De schattingen over de consumptie per hoofd van de bevolking lopen uiteen van 250 tot 400 liter per jaar. Ter vergelijking: in Nederland wordt tegenwoordig ongeveer 85 liter per jaar per hoofd van de bevolking gedronken.

 

Wildgroei aan bierbrouwerijen

In de 15de eeuw vaardigde de stad een keur uit op het bierbrouwen. De Amsterdamse overheid zag de ambachten en fabrieken ’t liefst geconcentreerd aan de stadsranden.  Ondanks de inspanningen van de stad werd na stadsuitbreidingen vanaf 1585 verdere spreiding van brouwerijen niet voorkomen. Aan de IJ-oevers, de Amstelmonding (de Damrakzijde van Nieuwendijk en Warmoesstraat), de burgwallen en het Kattegat stonden brouwerijen. Aan Oudezijds Voorburgwal was voor de bierhandel een deel als Bierkaai ingericht. De zestiende en een deel van de zeventiende eeuw gelden als het gouden tijdvak voor de brouwers. Het water in de steden, maar ook wel daarbuiten was slecht, melk werd vrijwel niet gedronken en wijn was een drank voor de elite. Goede tijden dus voor brouwers, van wie er dan ook heel wat waren. Zo telde Amersfoort in de veertiende eeuw 350 brouwerijen; Haarlem had er ongeveer 50. Amsterdam had niet zoveel brouwerijen, maar de stad was lange tijd het centrum van de bierhandel. Nadat de Spanjaarden Antwerpen hebben veroverd, vluchtten vooral rijke joden naar Amsterdam. Het kapitaal dat zij meebrengen wordt gebruikt om tochten naar India te organiseren. Het commerciële succes is enorm. Daarop wordt in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht. Amsterdam participeert voor meer dan de helft in deze nieuwe onderneming, die zou uitgroeien tot de eerste multinational ter wereld. Het resultaat is een periode van ongekende bloei en welvaart. Daarom wordt de 17e eeuw ook wel de ‘Gouden Eeuw’ genoemd.

 

Koffie, thee of jenever?

Voor wie het betalen kon, waren er bij de maaltijden en ‘s avonds zwaardere soorten bier. Ook bij bijzondere gelegenheden als een huwelijk, begrafenis, de kennis, verhuizing en op algemene feestdagen schonk men deze over het algemeen wat duurdere dranken. Naast drank voor de dagelijkse consumptie was bier dus tevens een genotmiddel. Bier ondervond in de tweede helft van de zeventiende eeuw steeds meer concurrentie van andere dranken als koffie, thee en chocola. Rond 1650 ontstonden in de grote steden in Holland de eerste koffiehuizen, maar het zou tot in de achttiende eeuw duren dat deze dranken, en dan met name koffie en thee, zo ver in prijs waren gedaald, dat ze een echte bedreiging voor de bierconsumptie gingen vormen.  Grotere concurrentie ondervond het bier evenwel van brandewijn en jenever, waarvan de productie snel toenam. Omdat de belasting op gedistilleerde dranken lager was, kreeg men een zelfde hoeveelheid alcohol tegen een lagere prijs. Jenever nam verder veel minder opslagruimte in beslag en was tevens beter houdbaar en vervoerbaar. Nogal wat brouwers schakelden in de tweede helft van de achttiende eeuw over op de productie van jenever. Toen na 1760 bovendien de graanprijzen sterk stegen, raakte de biernijverheid in ernstige moeilijkheden. Het aantal brouwerijen liep landelijk terug van rond 680 in 1819 tot ongeveer 465 in 1858.

 

De brouwnijverheid rondom 1850

Brouwerij De Hooiberg was rond deze tijd niet alleen de grootste brouwerij van Amsterdam maar met de leverantie van 18½% van de totale bierconsumptie ook de grootste van heel Holland. Begin negentiende eeuw kwam een omslagpunt in het succes. Dat had zeker ook te maken met het plotseling veel duurder worden van de grondstoffen, af te meten aan de voorraden in de balansen. In 1858 was De Haan de tweede brouwerij in Amsterdam die op stoomkracht overging (De Hooiberg in 1856) en in 1860 de eerste brouwerij in Nederland die bier op flessen ging verkopen.  In 1863 werd de brouwerij eigendom van Gerard Adriaan Heineken. Heineken verhuisde de brouwerij in 1868 naar de Stadhouderskade. Heineken is inmiddels uitgegroeid tot een van ‘s werelds grootste bierconglomeraten.

Lees meer over Heineken: het bekendste Amsterdamse bier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *